Mat T.

“Ik liet het gebeuren. Nu heb ik weer grip."

mat-t

Toen ik begon met Keer Diabetes2 Om, was ik 66 en net gepensioneerd. Mijn leven zat bomvol: een partner met veel hobby’s, mantelzorg voor mijn 92-jarige moeder die net was verhuisd naar een nieuwe zorginstelling, vrijwilligerswerk rond leefbaarheid in Limburg en sinds een jaar het opa-schap. Net daarvoor hadden we een levensloopbestendige woning gebouwd en waren we verhuisd. Druk, maar goed. Zo voelde het.

Mijn dagelijks leven leek gezond. Ik was meestal goedgehumeurd, actief en bewoog veel: skeeleren op zondag, wandelen doordeweeks, fietsen zodra het weer het toeliet. We aten vers, zonder strikte regels: twee broodmaaltijden per dag, een stevig avondeten en ’s avonds soms een snack. Vaste routines, vroeg op en vroeg naar bed. Niets om je zorgen over te maken, zou je denken. Toch knaagde er iets. Elk jaar kwam er wat gewicht bij. Op een gegeven moment was er die buik. Zo’n buik waarvan je denkt: hoe ga ik eigenlijk liggen? Lekker eten en snoepen hoorden erbij, maar het resultaat begon te wegen.

Bij een wisseling van huisarts volgde bloedonderzoek. Mijn gewicht (85 kilo), buikomvang van meer dan een meter en een nuchtere glucosewaarde van 6,3 leidde tot de diagnose prediabetes. De boodschap was helder: ga zo door en je eindigt met insuline.

Dat zette me stil. Er moest iets gebeuren, maar wat? We aten toch gezond, ik bewoog veel en sliep goed. Een beetje bijsturen zou het verschil niet maken. Als het roer om moest, dan niet voor even. Ik zocht daarom bewust een aanpak met bewezen resultaten, die vol te houden is en begeleiding biedt als bijsturen nodig is. Ik was ook beducht voor het “wij van WC-eend, adviseren WC-eend” en twijfelde daarom om te starten met het programma. Wat me over de streep trok, was de onderbouwing: de aanpak is Europees erkend, opgenomen in het basispakket en wordt in meerdere landen toegepast. Bovendien sprak de combinatie van voeding, gedragsverandering én medische begeleiding me aan.

In de praktijk veranderde vooral mijn voeding. Ik ging alle ‘bijsluiters’ lezen. Brood maakte plaats voor noten, zuivel, groenten en eieren bij ontbijt en lunch. Lunch en avondeten werden groenterijker, zonder aardappelen, pasta of rijst. Mijn partner deed mee met het de recepten; we namen samen meer tijd voor de lunchvoorbereiding. Bewegen bleef grotendeels zoals het was: meer in de zomer, minder in de winter.

Het lastigst vond ik het vele meten. Tegelijk hielp het ook. De snelle gewichtsafname motiveerde, net als de online bijeenkomsten. Mijn glucosewaarden daalden en na een paar maanden waren er ineens dagen met stabiele waarden. Gaandeweg merkte ik dat ik niet alles tegelijk hoefde te beheersen. Het ging om begrijpen, uitproberen en stap voor stap verder komen, in een ritme dat bij mij paste. Dat gaf vertrouwen.

Fysiek veranderde er veel. Mijn nuchtere glucose zit nu, na ruim een half jaar, meestal rond de 5,5–5,6. Mijn gewicht ging van 85 naar 75 kilo. Na een dip in de tweede maand is mijn energie weer op niveau. Mentaal misschien nog wel het meest: ik voel weer grip op iets wat me eerder ontglipte. Gewicht, buik en glucose – het overkomt me niet meer.

Nu mijn waarden stabiel zijn, is er ruimte voor nuance. Af en toe laat ik iets toe. Ik zeg pas bij het tweede stuk vlaai nee. Bij een broodjeslunch neem ik niet altijd mijn eigen eten mee. Bewust, niet gedachteloos. Dat is voor mij de belangrijkste les: het kan. Je hebt meer invloed dan je denkt. Alleen al door voeding aan te passen kun je veel bereiken. Doordat ik beter begrijp hoe insuline werkt, merk ik dat bijsturen niet ingewikkeld hoeft te zijn.

Terugkijkend was ik me vóór het programma nauwelijks bewust van het risico dat ik liep. Veranderen vond ik lastig, maar er was geen echte noodzaak. Die is er nu geweest en dat heeft het verschil gemaakt. Mijn advies aan anderen: houd je doel voor ogen, wees consequent en weet dat een tegenvaller erbij hoort. Die is vervelend, maar tijdelijk. Het gaat erom dat je daarna weer verdergaat.