Focus op de toegevoegde waarde voor die ene patiënt die tegenover je zit

Focus op de toegevoegde waarde voor die ene patiënt die tegenover je zit

Focus op de toegevoegde waarde voor die ene patiënt die tegenover je zit

Dit is het verhaal van oud-voorzitter van Zorginstituut Nederland, Arnold Moerkamp
(67). In dit interview vertelt hij over zijn leven, drijfveren, persoonlijke ervaring met ziekte en
dromen voor de gezondheidszorg in Nederland. Arnold is als adviseur betrokken bij Voeding
Leeft om leefstijl nog beter op de kaart te zetten in het Nederlandse zorglandschap. (zie hier zijn profiel)

“Focus op de toegevoegde waarde voor die ene patiënt die tegenover je zit. Misschien een
dooddoener, maar toch blijft het daar in de kern om gaan”.

Van bouwkundige tot politiek bestuurder
Als kind wilde ik altijd timmerman worden, maar ik kon goed leren en ging bouwkunde
studeren aan de hogere technische school in Amsterdam. Wat ik miste in deze opleiding was
de verbinding tussen gebouwen en mensen. Wat heb je eraan als je weet hoe je een gebouw
moet maken zonder dat je kennis hebt van de mensen die erin gaan wonen of werken? Het
hele sociale aspect van buurten en wijken trok mijn interesse. Ik ging zoeken naar een
opleiding die hierop aansloot en kwam bij planologie terecht. Na mijn studietijd ging ik
werken bij het ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer
(VROM). In 2000 stapte ik over naar het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport
(VWS) en werd directeur Verpleging, Verzorging en Ouderenbeleid (VVO). Graag deel ik een
anekdote. Toen ik bij VWS begon, was Els Borst minister. Het eerste wat zij zei toen ik
binnenkwam was: “Ik snap niet wat een bouwvakker op verpleging en verzorging komt
doen”. Een warm welkom. Ik moest er wel om lachen. Els Borst was een dokter, die vond dat
er alleen maar dokters op het departement mochten werken. Enkel zij hadden immers
verstand van zorg. Ik had een andere visie. Dokters moeten vooral hun vak uitoefenen. Wij
hebben op een ministerie een ander vak, namelijk dat van openbaar bestuur. Ik vind wel dat
je je de inhoud eigen moet maken door onder andere zelf het veld in te gaan. Nog maar een
anekdote. Ik ging eens op werkbezoek bij een verpleegtehuis. De directeur gaf mij een
rondleiding. Halverwege mijn rondleiding kwam ik een zwaar demente vrouw tegen. Ze
begon tegen mij te praten over haar man die bij “het spoor” was. Tegelijkertijd pakte ze mijn
hand stevig vast. Het was een heel intiem, warm en waardevol moment. Net op het moment
dat ik wat terug wilde zeggen, kwam de directeur tussenbeide en zei: “Beste mevrouw,
meneer Moerkamp heeft geen tijd hoor”, en nam mij weer mee. Ik had eigenlijk helemaal
geen zin meer om de rest van het gebouw nog te zien. Het werd mij duidelijk dat
bestuurders ver van de werkvloer af staan. Deze attitude is tot op de dag van vandaag nog
niet uit ons systeemdenken verdwenen. Ik denk dat verandering begint in de opleiding. Mijn
zoon studeert geneeskunde en loopt nu coschappen. Ik vind het positief om te zien dat er al
veel meer aandacht is voor het centraal stellen van de patiënt en diens kwaliteit van leven.

Van VWS naar het Zorginstituut Nederland
In 2006 werd ik directeur langdurige zorg. In 2008 directeur curatieve zorg en
plaatsvervangend directeur-generaal. Daar kwam ik in een heel andere cultuur terecht.
Waar het in de langdurige zorg altijd ging over kwaliteit van leven, ging het in de curatieve
zorg vooral over de klinische effecten van – vaak medicamenteuze – behandelingen. De
focus op geneesmiddelen is denk ik ook een van de redenen dat het moeizaam is om
leefstijlgeneeskunde in de curatieve zorg te verankeren. Na mijn werk bij het ministerie ben ik van 2011-2018 voorzitter geweest van het Zorginstituut Nederland (ZiN). Een vraagstuk
waar ik mij al hier intensief mee heb beziggehouden is de vergoeding van – vaak dure –
medicijnen. Dat ontplofte toen wij besloten om een medicijn tegen de ziekte van Pompe niet
te vergoeden, omdat het veel te weinig effectief was tegen extreem hoge kosten: 15 miljoen
per gewonnen levensjaar. Waarom het zo duur was, heb ik nooit goed begrepen. De
grootste strijd die ik tijdens mijn tijdens carrière heb gevoerd was dan ook gericht op
transparantie van geneesmiddelkosten.

Kwaliteit van leven als rode draad door de zorg
Terugkijkend op mijn carrière ben ik het meest trots op het feit dat het is gelukt om kwaliteit
van leven op de agenda van het openbaar bestuur te krijgen. Om kwaliteit te waarborgen,
heb je goede data nodig. Op macroniveau kan dat voor een belangrijk deel openbare
informatie zijn van bijvoorbeeld zorgverzekeraars, al zijn real life (uitkomst)data via
registraties natuurlijk nog beter. Ook moet de zorg waar dat kan technologischer worden,
zodat er meer tijd vrijkomt voor behandelaren om bezig te zijn met de patiënt als mens en
leefstijlinterventies. Wat mij betreft gaan technologische en mensgerichte interventies hand
in hand. Het is niet “of, of”, maar “en, en”. Deze boodschap probeer ik met mijn expertise te
verkondigen als adviseur bij Stichting Voeding Leeft. Echter, de echte ommekeer in
leefstijlbewustzijn komt er pas als de commerciële wereld, zoals de
voedingsmiddelenindustrie en supermarkten, er “brood” in gaan zien. Het zou heel mooi zijn
als supermarkten binnenkort hun populaire verspakketten gaan uitbreiden voor specifieke
patiëntgroepen. Met een knipoog zeg ik dan: “wel met een stempel van Voeding Leeft erop”.

Van zorgbestuurder naar patiënt
Afgelopen najaar belandde ik plots op de spoedeisende hulp met uitvalsverschijnselen in
mijn rechterarm. Na jaren van allerlei onbegrepen klachten werd eindelijk duidelijk wat er
speelde. Een MRI-scan toonde multipele laesies aan in zowel mijn brein als ruggenmerg. “Je
hebt de primair progressieve vorm van MS”, werd mij medegedeeld. Dat was schrikken. Het
goede nieuws is dat het tempo kennelijk laag ligt, dus ik heb hoop dat ik hier oud mee kan
worden. Mijn grootste angst is momenteel verlies van mobiliteit en dus afhankelijk te
worden. Dat mijn fijne motoriek nog niet terug is en ik daarom met twee handen de sleutel
in de deur moet steken, vind ik niet zo erg. Ik zal het wel erg vinden als ik cognitief achteruit
ga en/of niet meer kan autorijden. Maar ach, uiteindelijk kan je ook met een rolstoel de tram
in. Het helpt dat ik een optimistisch mens ben met een fijne vrouw en twee lieve kinderen.
Ook ben ik goed voor mijn lichaam gaan zorgen. Sinds ik gestopt ben met snoepen en plant-
focused eet, ben ik acht kilo afgevallen. Daarnaast ben ik langzamer gaan leven. Ik merk nu
dat het niet gezond geweest is om altijd 60-70 uur per week te werken. Lachend, toch zou ik
het zo weer doen. Ik heb absoluut van mijn werk genoten. De druk die erop zat, gaf mij
vleugels.

Toekomst van de zorg
Als ik morgen één ding mocht veranderen dan zou ik per direct tempo maken met de
informatisering van de zorg. Het is tijd dat de overheid verantwoording neemt en komt met
standaarden omtrent het uitwisselen van informatie. Als je dit aan het veld overlaat, blijven
partijen onderling steggelen over welk systeem het best werkt. De overheid is vermoedelijk
terughoudend, omdat ze partijen niet tegen het hoofd willen stoten. Echter, er is geen tijd
meer om af te wachten. De toekomst draait om informatie en inhoudelijke kennis van informatie. Op dit moment faciliteren wij inhoudelijke professionals met een armoedig
datasysteem. Als wij dat anders gaan doen, is mijn hoop dat we met elkaar kunnen streven
naar een gezonde bevolking waarbij de nodige voorzieningen en eigen verantwoordelijkheid
voor gezondheid naast elkaar kunnen bestaan. Tegen toekomstig artsen zou ik willen
zeggen: “Weet dat je het voor mensen doet. Focus op de toegevoegde waarde voor die ene
patiënt die tegenover je zit. Misschien een dooddoener, maar toch blijft het daar in de kern
om gaan.”


Wilma Oosthoek
Categorie:

Focus op de toegevoegde waarde voor die ene patiënt die tegenover je zit

Wat jij kunt doen

Contact Sluit je aan bij het vitale netwerk

Lees meer over hoe voeding leeft

Blog >Wat jij kunt doen